Een valse start in prachtig Peru

Na de tweede dans stappen Paul en ik weer op de fiets. We willen nog een stukje rijden en dan kamperen aan het Titicacameer. Paul schiet niet erg op vandaag, ik moet steeds inhouden om hem weer bij me te laten komen. Slechte benen? Dat heb je weleens. ‘Hoe ver wil je nog gaan?’ vraagt hij ietwat klagelijk van achter me. Weetikveel.. denk ik, dat bepalen we toch samen? Paul voelt zich duidelijk slapjes en we besluiten zodra we het meer bereiken een kampeerplekje te zoeken. Donkere naderende luchten vormen een motivatie om de vaart erin te houden. Maar die vaart is dus ver te zoeken… Het strand gaan we niet halen, dus rijden we een paadje op de velden in. Terwijl de wolken de zon bedekken kiezen we tussen drie niet ideale kampeerplekjes. Op het moment dat ik het grondzeil uitspreid op een plekje naast het pad begint het te druppelen. Paul voelt zich inmiddels tamelijk beroerd en ik kan ruiken dat hij flink van deze situatie baalt. Binnen een halve minuut ontstaat er een wolkbreuk waaruit grote scherpe hagelstenen met kracht naar beneden suizen. Ze landen pijnlijk hard op mijn in t-shirt en fietsbroek geklede lijf. Als idioten zetten we de tent op en gooien alle slaapspullen de tent in. Binnen is het gelukkig niet kleddernat. Ik blaas de matjes op en rol de slaapzakken uit terwijl Paul heftig rillend naast me zit. Als hij eenmaal onder zijn slaapzak ligt, met al zijn kleren aan, wordt het rillen niet minder. Hij ademt alsof hij op de vlucht is voor een sneeuwluipaard op de Mount Everest en zijn voorhoofd voelt al gauw snikheet terwijl hij ligt te rillen van de kou onder inmiddels twee slaapzakken. Dit is niet goed! Arme jongen. Zijn buik begint inmiddels behoorlijk pijn te doen en zijn darmen rommelen als een chemisch lab. Juist de vreselijk stinkende scheetjes stellen me een beetje gerust… dit heeft te maken met verkeerd eten ofzo, zodanig dat zijn hele lijf er van streek van is. Uiteindelijk ga ik wat slapen. Voor Paul echter wordt het een rampnacht. ’s Ochtends liggen er een aantal verse ‘koeien’vlaaien om de tent en heeft Paul de nodige koortsdromen achter de rug. Ik pak de hele boel in om vervolgens samen naar een dorpje op 2km afstand te rijden waar we een kamer in een hostel kunnen nemen. Eenmaal aangekomen blijken de hostels vol of dicht. Paul laat zijn koppie hangen, hij voelt zich hondsberoerd. Het volgende (grotere) dorp is 20km verderop, een onmogelijke afstand nu voor hem. Uiteindelijk overtuig ik hem een diaree remmer te nemen, onze fietsen in een veel te kleine taxi te laden en toch naar Juli te rijden. Tot mijn grote opluchting vind ik daar een schoon, nieuw en betaalbaar hostel. Na een lange warme douche kruipt Paul onder de dekens en slaapt een paar uur aaneensluitend. Hoe de komende dagen ook lopen, wij zijn in ieder geval onder de pannen.

We hebben onszelf beloofd in Peru voornamelijk ‘backroads’ te rijden en weg te blijven van de hoofdwegen. Naar verluid zijn de kleinere weggetjes hier veelal in een goede staat. Een heel ander verhaal dan de verschrikkelijke steenslagwegen in Argentinië. Ik stippel een route uit door een vallei, over een pas van ruim 4800 meter hoog en langs een viertal meren met als eerste ‘bestemming’ Písac, waar een inca-ruïne ligt die het qua grootte van Machu Picchu wint. We weten niet wat we van de omgeving kunnen verwachten, maar we worden aangenaam verrast door de schoonheid van de vallei. Op deze hoogte zijn er geen bomen dus we kijken uit over eindeloze vlakten, dalen en heuvels van geelgroen gras. Geen gras om lekker in te gaan liggen, maar kuithoog en vlijmscherp (ondervinden we geregeld). Hier en daar ligt een dorpje en door de vallei loopt een heldere rivier. Ook zien we geregeld een soort wadi’s. Meertjes die ontstaan door de regen die hier in de zomer zo’n 16 dagen per maand valt. Nog een reden waarom wij nú in Peru zijn, het droge (winter) seizoen begint hier in April. Het weer is perfect naar onze zin. Overdag fietsen we in korte kleding zonder oververhit te raken, de nachten zijn koud. Wel zijn de dagen kort. De zon komt op rond 6:00, maar met de vele bergen hier duurt het vaak nog even voor hij op de tent staat en de boel een beetje opwarmt. Rond 18:00 wordt het donker, maar (wederom dankzij de bergen) vaak verdwijnt de zon al een aardige tijd eerder wat ervoor zorgt dat het flink afkoelt. We eten bijna dagelijks een warme lunch op een markt of in een simpel restaurantje. Een ‘almuerzo’ dat meestal bestaat uit een goed gevulde heldere soep (met flinke stukken aardappel, yuka en rijst of quinoa) en daarna nog een overvol bord met rijst, aardappels en vlees en een beetje groenten. Ik heb meestal al voldoende aan zo’n bord gevulde soep. Als we dan rond half 6 in de tent kruipen maken we broodjes met kaas, avocado en tomaat. 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven