Over keienwegen en het warmen van een nomadenhart

Over keienwegen en het warmen van een nomadenhart

PIEPIEPIEPIEPIEPIEPIEP..
Mijn telefoon wekt me. Sinds ik in het zuiden van Mexico ben aangekomen sta ik iedere morgen op voor zonopkomst. Ik pak mijn spullen, ontbijt en probeer op mijn fiets te zitten zo gauw het licht is. Ik zeg probeer, want elke morgen lijkt het vroeger licht te zijn en gezien ik naar zuidwaarts fiets kan dat ook weleens kloppen.
Nu is het echter al volop licht buiten..
Pas twee dagen later zal ik beseffen dat mijn telefoon zich al had aangepast aan Guatemala, waar er niet aan zomer- en wintertijd wordt gedaan.
Ik had juist gepland om deze morgen rustig de tijd te nemen mijn boeltje te pakken, te douchen en een omelet met banaan te bakken (mijn laatst nieuwe ontdekking). In plaats daarvan prop ik nu mijn spullen in mijn tassen, inclusief drie rauw eieren en rol mijn fiets naar de ‘embarcaderro’, oftewel richting de rivier waar ik met een bootje zal oversteken naar Guatemala. Over een steile trap helpt de bootsman me mijn fiets naar beneden te geleiden, drijfbruggetje over, rotseiland op en het bootje in.

Ineens begint het te kriebelen in mijn buik. Guatemala! Na ruim drie maanden in Mexico en acht maanden in de Verenigde Staten en Canada maak ik voor mijn gevoel voor het eerst weer een grote sprong in het onbekende. En niet zomaar het onbekende, maar een land in dat berucht is en om zijn hoge aantal moorden.
‘WELCOME IN GUATEMALA!’ is het eerste dat ik hoor als ik vanuit het bootje op Guatemalaanse grond stap. Ik sta in een kort straatje met zowel links als rechts een stuk of vier tiendas (winkeltjes), daarna gaat er een kiezelweg de dichte jungle in.
Ja, welkom in Guatemala, Hera.

 

Een week voordat ik de grens bereikte was ik in San Cristobal de las Casas, op een koele 2152 meter hoogte. Waarmee ik tot mijn grote verbazing ineens de backpackers hotspot van Mexico bereikte. Samen met mijn Costa Ricaanse gastheer Edû bezocht ik een canyon met kliffen van een kilometer hoog en krokodillen op de oevers.

Vanuit San Cristobal trapte ik via de hoofdweg naar Ocosingo. Vanaf daar liep op Google Maps een wit lijntje dwars door de jungle naar de Guatemalaanse grens. In de GPS kaart op mijn telefoon was dit letterlijk grijs gebied zonder spoor van een weg. Mijn zucht naar meer avontuur overstemde het gebrek aan informatie over deze route en ik besloot die dus zelf ter plekke in te winnen door deze weg te fietsen. Met de Google kaart in het geheugen van mijn telefoon opgeslagen vertrok ik. Ik mocht als eerste 100 meter afdalen vanaf de brandweerkazerne waar ik de nacht had doorgebracht. Een goed begin! Na een kilometer of zes stopte ik voor ontbijt en kwam tot de ontdekking dat ik mijn powerbank (om mijn telefoon op te laten) bij de kazerne in het stopcontact had laten zitten. 100 meter terug de steile helling op dus. Tot zover een vroege start.

Toen ik twintig kilometer verderop op mijn telefoon keek stond de blauwe stip die mijn positie aangeeft ook op Google Maps in grijs gebied. Bij die enige splitsing had ik dus toch beter even op mijn telefoon kunnen kijken in plaats van zomaar de aanwijzing van de politieagent daar op te volgen. Ik wist dat de route voor die dag zo’n 1500 hoogtemeters inhield, deze alternatieve route voegde daar met zijn vele steile klims vast en zeker nog eens 300 meter aan toe. Ik was opgelucht toen de blauwe stip op het schermpje weer op het witte lijntje was beland.

Niet lang daarna hield het asfalt op en trapte ik verder over een met keien bezaaide zandweg. Volgens de borden langs de weg was ik aangekomen in onafhankelijk gebied. In de uit hutten bestaande dorpjes was duidelijk te zien dat deze voor het overgrote deel zelfvoorzienend waren. Bij gebrek aan tiendas diepte ik de nog uit Canada stammende noodvoorraad mueslirepen op uit mijn voortas. Van de gezichten van de mensen kon ik aflezen dat ik een van de weinige blanken was die ze hier ooit zagen. De jungle was ruig en prachtig, vooral wanneer hij zo nu en dan opende en me uitzicht over een dal gaf. Met 5 kilometer per uur kroop ik, soms duwend soms trappend, de hellingen op om vervolgens met 7 kilometer per uur voorzichtig af te dalen, mijn handen rood knijpend op de remgrepen.
Ongeacht de unieke ervaring en de pracht van de omgeving was ik er niet rouwig om aan het einde van de volgende dag weer asfalt onder mijn banden te voelen. Los van het asfalt bleek de omgeving ongerept, de dorpjes klein en met weinig diensten en de zon onverbiddelijk. Met nog een halve fietsdag bereikte ik Frontera Corosal. De meest afgelegen en stille grensovergang van Mexico naar Guatemala.

Bij gebrek aan tiendas diepte ik de nog uit Canada stammende noodvoorraad mueslirepen op uit mijn voortas.

Ik keek naar het spoor van keien dat de jungle inliep voorbij de acht tiendas aan de embarcadero in Guatemala. Ik haalde nog eens diep adem en stapte op. 15 kilometer verderop werd ik met enthousiasme begroet door het éénmanscomité van het immigratiekantoor. Met veel plezier bladerde de man door mijn paspoort en zette er voor 40 quetzal (6 euro) een stempel in die goed is voor 90 dagen in Guatemala. Zo, zijn werk zat er weer op voor die dag.

In het eerste dorp dat ik tegenkwam was het eettentje aan de weg gesloten en ik ging op zoek naar een comedor (eettentje) in het dorpje. De huisjes en hutten waren nog een slag simpeler dan in het zuiden van Mexico. Ik vond de comedor en bestelde voor 10 quetzal een maaltijd van bonen, rijst en eieren.
Terwijl de vrouw aan het koken ging liep ik door het huis richting toilet. De vloer van het huis was puur zwarte grond, ongelijk en glibberig. De keuken was een bende van vaat, voedsel, tandenborstels, was, kippen (zowel levend als geslacht) en vliegen. Achter het huis lag het richting het houten deurloze toilet met iedere meter dichter bezaaid met afval. Dit was duidelijk geen ‘restaurant’ waar het gebruikelijk is voor de gasten om van het toilet gebruik te maken. Terug aan de voorzijde school ik aan aan de, in verhouding, smetteloze tafel waar een jongeman aan zijn lunch zat, en dacht: ‘ach, als ik hier niet ziek word van het eten, zal ik het wel nergens worden. Weet ik dat ook weer.’
De maaltijd was verrukkelijk en tijdens het eten ondervroeg ik mijn tafelgenoot over Guatemala en zijn dorp in mijn groeiende Spaanse woordenschat.

Ook aan deze keienweg kwam een einde en de volgende dag trapte ik tot mijn eigen verbazing op het asfalt met gemak 75 kilometer weg en arriveerde al om 11:00 op mijn WarmShowers adres in Flores. Het Amerikaans-Guatemalaanse gastgezin heeft een perma-cultuur project en biedt een soort homestay voor toeristen en gratis kampeer mogelijkheid voor fietsreizigers.

Onverwachts en tot mijn grote genoegen waren er nog vier andere fietsers te gast. Vier van ons komen vanuit het noorden en één vanuit het zuiden. Zij stamden uit Duitsland, Nieuw Zeeland en Canada.
Voor het eerst sinds Azië 2015 zit ik weer met meerdere avontuurlijke lange-termijn fietsers rond een tafel gebogen over landkaarten en aan samen in elkaar gestoken maaltijden. De bende van fietstassen, elektronica, adapters, bidons. De vale kleding met onuitwasbare vlekken aan de lijn. De geur van klamme lijven en de uitstalling van branders, pannetjes en zakmessen in de buitenkeuken.

Ik haal mijn hart op tijdens deze kortstondige maar intense ontmoetingen.
Er zijn vele soort fietsreizigers en een klik is niet vanzelfsprekend. Maar vooral een combinatie van solo fietsers onderweg voor lange rijd creëert vaak een vonk die met een beetje geluk een vuurtje doet ontbranden waaraan ik mijn nomadenhart kan warmen.

Sinds de onweersstorm gisteravond is de elektriciteit in het stadje en omgeving uit. Zodoende schrijf ik mijn blog nu op papieren en met alle batterijen van laptops en telefoons leeg brengen we de tijd ouderwets, simpel en puur met elkaar door. Ondanks de nodige frustratie vanmorgen, omdat we allen hier aankwamen na om en nabij een week in de jungle zonder bereik, komt het gebrek aan WiFi de sfeer natuurlijk ten goede.

De bende van fietstassen, elektronica, adapters, bidons. De vale kleding met onuitwasbare vlekken aan de lijn. De geur van klamme lijven en de uitstalling van branders, pannetjes en zakmessen in de buitenkeuken.

Morgen fiets ik in één lange fietsdag door naar Belize. Drie fiets- en twee rustdagen ben ik dan in Guatemala geweest. Maar na een week in Belize kom ik via een andere grensovergang hier terug. Een fijn vooruitzicht, want mijn eerste indruk van dit (beruchte) land is top.

Voor de komende week staan er mooie wegen op het programma en verschillende plekken om te bezoeken. Ik ben benieuwd naar Belize, het Engelstalige, ruige, toeristische, dure Belize met zijn cowboys en mennonieten, zijn kust en muggen.
Maar daarover schrijf ik in de volgende blog. Eerst mag ik het mee gaan maken.
Wat een voorrecht.