Wennen aan de wildernis

Wennen aan de wildernis

Precies wanneer ik mijn laptop op schoot neem om aan mijn blog te beginnen gaat het noodalarm. Mijn hartslag struikelt even terwijl mijn brein direct begint te werken en mijn positie te bepalen.
Wat is de procedure? Waar kan ik heen?
Een halve minuut hooguit, dan wordt omgeroepen dat het slechts een ‘drill’ is voor de bemanning. Mooie boel is dat! Kunnen ze dat niet van tevoren aankondigen? Was ik nerveus aangelegd had het me een hartstilstand kunnen bezorgen.
Mijn hart hervindt echter zijn ritme en ik kan beginnen aan mijn blog terwijl achter me drie mannen zich in vuurvaste uitrusting hijsen compleet met gasmaskers en zuurstoffles.
Een geschikt moment voor een drill waarschijnlijk. Een bijna lege ferry aan het einde van het toeristisch seizoen.

Noodalarm drill

Noodalarm drill

Ik zit op een boot.
In Whitehorse heb ik de knoop doorgehakt om de ferry van Haines naar Prince Rupert te nemen in plaats van de Cassiar highway te fietsen. Het werd me door verschillende mensen aangeraden vanwege de prachtige natuur en omdat de Cassiar ‘meer van hetzelfde’ zou zijn. Het was even slikken toen ik mijn creditcard gegevens doorgaf maar nu ben ik blij dat ik daarvoor heb gekozen. 40 uur op een boot. Twee dagen en een nacht. Gisteren regende het de hele dag en kon ik door de mist niets van de omgeving zien. Vandaag is het weer beter en kijk ik al sinds vanmorgen vroeg naar alle eilanden waar we tussen door laveren. Nu en dan leggen we ergens aan en gaat er een paar man van boord.
Deze boot vaart de ‘Marine highway’. Een route van Skagway (Alaska) via Haines (daar stapte ik op) en Juneau (hoofdstad van Alaska) naar Prince Rupert (Canada).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

Maar eerst even terug naar het hoge noorden van Canada, vanaf waar ik mijn vorige blog schreef. Dawson City!
De ochtend dat ik daar op de fiets stapte was het -10C. De koudste ochtend die ik tot nu toe heb gehad. Ik diepte mijn wanten op uit mijn fietstassen en begon de rit in mijn donsjas. Die was, zoals te verwachten, binnen enkele kilometers al te warm, maar de warme lagen afstrippen nog voor ik op de fiets stap is een kriem die ik niet altijd wil verdragen.
In de nachten daalt de temperatuur tot onder het vriespunt, maar ik heb voldoende lagen aan kleding bij me om extremere koude aan te kunnen. Zelfs nu ik een sprint naar het zuiden maak met deze ferry is de kans groot dat ik binnen korte tijd de eerste sneeuw vang. Op de weg van Banff naar Vancouver, die ik over ongeveer een maand zal fietsen, is de eerste sneeuw al gevallen.

De rit van Dawson City naar Whitehorse (de grootste plaats in de Yukon provincie) duurde vijf dagen. Weer vijf dagen in de wildernis. Slechts één dorp op de route dat meer dan 100 inwoners telt. Ik merk dat het went. Ik vraag me niet meer af waar ik die nachten zal slapen of hoe ik aan eten zal komen. Ik leg een voedselvoorraad aan die ruim kan voldoen en ik fiets tot ik er genoeg van heb en een geschikte plek voor mijn tent vind. De ene keer is dat in een dorp aan de rivieroever een andere keer is dat ver weg van de bewoonde wereld op een open plek in het bos, weer een andere keer op een (inmiddels) gesloten ‘camping’ waar ik soms nog lokale kampeerders tref.
De dagen korten in rap tempo en nadat ik een kampvuurtje aan heb gelegd, gekookt en ‘afgewassen’ heb en mijn tassen met eten ver van de tent neer heb gezet gaat de zon gauw genoeg onder en koelt het af. Zodoende lig ik vaak rond 20:30 in mijn slaapzak met mijn hoofdlampje op te lezen. Bijna iedere avond kamperen in de wildernis verloopt zo en toch denk ik op zo’n avond nooit ‘was ik maar ergens anders’ of ‘was ik maar niet alleen’. Aan de ene kant ‘is het wat het is’ en aan de andere kant geniet ik er met volle teugen van.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Alles kleurt geel in het noorden van Canada

Alles kleurt geel in het noorden van Canada

De buien zijn erg plaatselijk en gelukkig niet daar waar ik fiets

De buien zijn erg plaatselijk en gelukkig niet daar waar ik fiets

Ik wen aan de wildernis. Aan de geluiden van het woud, de eekhoorns, de elanden, de wind door de bomen. Zelfs naar het geplons van een beer die vis vangt in een rivier kan ik ontspannen luisteren vanuit mijn tent. Wetende dat mijn eten ver van mijn tent staat en een beer geen interesse heeft in een voedselloze fietser in een tentje sluit ik iedere avond met een gerust hart mijn ogen.
Op de route naar Whitehorse zag ik voor het eerst een zwarte beer vlak bij de weg. Toen ik hem opmerkte was ik hem al aan het passeren. Met een nieuwe zwarte glanzende vacht stond hij daar, een meter of 40 bij me vandaan, rustig te kijken hoe ik voorbijfietste. Hij spotte me, maar veranderde zijn gedrag niet (een geruststelling). Het leek mij het beste mijn gedrag dus ook niet te veranderen en (ogenschijnlijk) rustig fietste ik aan hem voorbij. Toen ik eenmaal ruim gepasseerd was zag ik hem richting de weg lopen om die over te steken. Waar mijn hart wel sneller van gaat kloppen is als er in de nacht ineens een stel koplampen op mijn tent schijnen en ik de motor van een truck vlakbij me hoor. Iets wat gelukkig zelden gebeurt en de keren dat het gebeurde was er niets loos. Gewoon mensen op hun eigen pad.

Na bijna vier maanden in het dunbevolkte IJsland, Alaska en Canada kan ik me moeilijk meer voorstellen hoe het zal zijn om straks langs de westkust van de Verenigde Staten te fietsen (de ‘lower 48’ zoals ze hier genoemd worden, omdat het de 48 zuidelijkere staten zijn, maar bij ‘lower’ wordt met een knipoog ook gedoeld op ‘minderwaardig’). Een gebied waar ik iedere dag aan eten zal kunnen komen, een plek om ongezien wild te kamperen moeilijker te vinden zal zijn dan een camping en er meer mensen zullen zijn dan bomen.

Een niet ongebruikelijk beeld op dit moment in Alaska en de Yukon

Een niet ongebruikelijk beeld op dit moment in Alaska en de Yukon

Nu ik hier een aantal maanden heb rondgefietst werd me recentelijk door verschillende bekenden gevraagd hoe het me ‘al met al’ bevalt en of het is waar ik op hoopte. Ook voor mijzelf is dat iets waarbij ik af en toe stilsta: ‘klopt het?’
JA, het klopt. Wat niet wil zeggen dat het altijd gemakkelijk is en iedere dag gevuld is met dennengeur en zonneschijn, maar dat was ook niet waar ik voor ging. Het belangrijkste is het gevoel. Ik wilde mijn leven op de fiets leven, voelen dat ik overal thuis ben en dat de wereld een speeltuin is aan mij om te ontdekken. Al die dingen kloppen. Feit dat ik er een jaar lang naartoe heb geleefd, mijn ‘doel’ duidelijk voor ogen, heeft mijn gevoel scherp afgesteld.

Ik voel me VRIJ.

Vrij om te doen, te laten en te gaan waar en wanneer ik wil. Ik fiets als ik wil fietsen. Ik reageer op alles wat mijn pad kruist of mijn aandacht trekt. Ik zal geen records vestigen en geen mensen imponeren met mijn gemiddelde snelheid. En ondanks dat dat nooit mijn doel is geweest, moet ik mezelf er toch geregeld aan herinneren dat dat er ook echt niet toe doet.
Mijn enige doel is ‘geluk’ en alles wat ik doe is daar een bouwsteen van; veel fietsen, mensen ontmoeten, dagenlang relaxen, een boottocht maken, kamperen.
Dat alles alleen maar draait om mijn eigen ‘geluk’ kan egocentrisch klinken. Maar dat geluk hangt ook af van mijn interactie met anderen; een cake bakken voor mijn gastgezin, contact met mijn familie en vrienden in Nederland, anderen inspireren of vermaken via mijn blog, aandacht vragen voor zelfdodingsproblematiek. Al die dingen pak ik met beide handen aan, wat ervoor zorgt dat ik zelfs ook op reis soms tijd te kort kom om alles te doen wat ik wil, of zou moeten doen (zoals fietsonderhoud en stretchen) om te kunnen blijven doen wat ik wil.

Steve van de Braeburn lodge bood met spontaan een douche aan, halverwege mijn fietsdag

Steve van de Braeburn lodge bood met spontaan een douche aan, halverwege mijn fietsdag. Aannemen natuurlijk!

Zoals ik al eerder liet blijken laat de ‘bestemming’ wat te wensen over. Ik dacht altijd dat de natuur het belangrijkste ingrediënt van mijn fietsreizen was, mensen en cultuur kwamen pas daarna. Nu ik in Noord-Amerika ben merk ik pas hoe het is om ergens te reizen waar cultuur minimaal aanwezig is. Er is de geschiedenis en cultuur van de oorspronkelijke bevolking (de ‘native’ of ‘first nation’) in zowel Alaska als Canada, maar zij wonen afgezonderd, ver van de westerse bewoonde wereld en het wegennet.
Zoals met veel dingen die er altijd zijn is ‘cultuur’ voor mij vanzelfsprekend geworden en mis ik het pas nu het er niet is. De dorpen en steden hier hebben vaak smaak nog sfeer. Al moet ik zeggen dat het ernaar uit begint te zien dat daar hier in Canada verandering in komt.
Ik kan terugverlangen naar de kerkjes in Frankrijk, de kasseien steegjes in Italië, het platteland van Zwitserland, de paalwoningen van Laos, de tempels van Thailand, de chapatti van Maleisië, zelfs de stugheid van de Chinezen en de vieze gefermenteerde paardenmelk van Kyrgyzstan.
De geweldige ervaringen van het rondfietsen en thuisraken in de wildernis wegen daar echter ruim genoeg tegenop.

De wildernis tussen Haines junction en Haines

De wildernis tussen Haines junction en Haines

Kamperen aan een prachtig meer

Kamperen aan een prachtig meer

..op een gesloten camping onder een afdak en met een houtkachel

..op een gesloten camping onder een afdak en met een houtkachel

Vanaf Whitehorse fietste ik via Haines Junction richting Haines. Dat tweede deel van de route zou prachtig zijn. Één van de mooiste wegen van Alaska en west Canada, was me verteld. De eerste twee dagen waren inderdaad erg mooi. De tweede dag wist ik precies tot waar ik wilde fietsen, KM 127. Een andere fietser had mij namelijk verteld dat daar een cabin (houten huisje) stond dat niet meer bewoond werd maar er op ingericht was om gebruikt te worden door (gestrande) reizigers. Vanaf het moment dat ik Haines Junction achter me had gelaten had ik amper nog bewoning gezien maar bij KM 127 stond inderdaad, in de ‘middle of nowhere’ een cabin, niet te missen. Een oude kleine cabin met uitzicht op een gletsjer. Binnen lag gastenboek waarin vooral fietsers berichten van dank hadden achtergelaten. De inrichting was oud en aan het vervallen, maar desondanks maakte het een paleisje voor de avond.

Mijn eigen cabin voor de nacht

Mijn eigen cabin voor de nacht

Vervallen en toch geweldig

Vervallen en toch geweldig

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De derde dag begon in een dikke laag mist. Het zicht rijkte niet veel verder dan een meter of twintig. De gehele ochtend en een deel van de middag fietste ik in die dichte mist, terwijl de prachtige bergen en gletsjers ongezien aan me voorbijgingen. De wetenschap dat er in die omgeving veel beren actief waren maakte dat ik wat minder op mijn gemak was en mijn ‘bearbell’ maar weer eens goed liet rinkelen aan mijn stuurtas. Na een pass van ruim 1000 meter daalde ik richting de grens, Canada-Alaska, de mist uit.

Volop in de mist

Volop in de mist

Langzaamaan weer wat zicht

Langzaamaan weer wat zicht

En nu zit ik dus op de ferry. Helaas begon het vandaag in de namiddag weer te regenen en verhinderde een laag mist het zicht. Desondanks was het een mooie tocht. Het aantal huizen aan de kust van sommige van de eilanden verbaasde me. Eilanden die maar af en toe met een veerboot bediend worden en waarvan de bewoners verder afhankelijk zijn van hun eigen vervoer per boot of watervliegtuig. Het aantal mensen dat ver van de bewoonde wereld wil wonen en hun toevlucht zoekt op een eiland van de kust van Alaska is vele malen groter dan ik verwachtte.
Vannacht om 2:15 komen we aan in Prince Rupert. Liever had ik nog een nachtje aan boord doorgebracht dan in dit druilerige weer om 2:15 ’s nachts een kampeerplekje te zoeken in een ‘stad’. Maar ‘het is wat het is’. Geen dennengeur en zonneschijn maar even (met terugwerkende kracht) doorbijten om deze boottocht te kunnen maken.

Aankomst op tussenstop Ketchikan

Aankomst op tussenstop Ketchikan

De boot

De boot

Vanaf Prince Rupert begint mijn rit over de Yellowhead highway richting de Canadese Rocky Mountains. Ik kijk uit naar het bereiken van Jasper en het daarna fietsen van de ‘beroemde’ Icefields Parkway, een weg die bekendstaat als (misschien wel) de mooiste van heel Canada. Ik verwacht dat ik er daarna wel aan toe ben om langzaamaan de wildernis uit te fietsen en me weer wat meer onder de mensen te begeven.

Nu ik jullie toch schrijf. Zoals ik hierboven al noemde is één van de dingen waar ik op reis ook mee bezig ben het aandacht vragen voor zelfdoding. In Alaska heb ik geleerd hoe het onderwerp daar leeft en wordt aangepakt. Mijn bevindingen heb ik verwerkt tot een artikel dat je hier kunt lezen.

Daarnaast wil ik jullie bedanken voor de reacties op mijn blogs! Ik vind het ontzettend leuk om reacties te lezen op mijn belevenissen en het verslag dat ik daarvan doe.

Zo, nu gauw nog een paar uurtjes rust pakken voor ik van boord ga, British Columbia in. Beginnend in de ‘city of rain(bows’.
Prince Rupert vangt 2,5 meter regen ieder jaar! Twee van de drie dagen regent het.
En de voorspellingen voor de komende dagen zijn..niet goed. Ik trek mn regenkleding vast aan!

Een nieuwe provincie, ongetwijfeld vol verrassingen en nieuwe avonturen!