Het is een dunne lijn...

Het is een dunne lijn…

of ‘AFSCHEID VAN ALASKA’

Een meter of 50 voor de grens was een mooi uitkijkpunt. Ik zag net op een bord dat de grens pas om 21:00 sluit in plaats van om 18:00 zoals ik ergens gelezen dacht te hebben. Met een gerust hart kan ik hier dus om 17:50 nog even stoppen en terugblikken op Alaska voor ik het inruil voor Canada. Ruim twee maanden, zo lang ben ik nooit eerder in een land gebleven.

Die eindeloze wildernis vanaf de arctische kust tot Anchorage, die me overweldigde en beangstigde toen ik met het vliegtuig aankwam, heb ik per fiets getrotseerd.
Ik heb verschillende wegen zelfs tweemaal bereisd. Sommige routes waren oogverblindend en indrukwekkend, andere soms zelfs saai. In de steden, Anchorage en Fairbanks, voelde ik me verloren en misplaatst tussen de vele grote auto’s, de fastfoodrestaurants, de enorme supermarkten, lelijke Amerikaanse accenten, daklozen, dronken ‘natives’ (oorspronkelijke bevolking), schreeuwerige kerken en dikke Amerikanen. Maar plaatsjes zoals Glennallen, Delta Junction en Tok, die uit niet veel meer bestaan dan een aantal huizen en een verzameling van een supermarkt, bibliotheekje, school, postkantoor, tankstation etc voor de door de omgeving verspreide bevolking, waren aangename uitstapjes even terug de beschaving in.

De plaats 'Tok' vanuit de lucht.

De plaats ‘Tok’ vanuit de lucht.

Hoe anders is het om hier te fietsen dan in (oost) Europa of Azië. Doordat iedereen Engels spreekt is er geen taalbarrière en ben je sociaal vogelvrijverklaard. Voor iedereen aanspreekbaar en daar wordt gebruik van gemaakt. Soms kom ik amper aan een hap van mijn boterham toe of krijg ik geen letter getypt omdat ik aan de praat word gehouden, vaker door toeristen dan door de lokale bevolking.
De vraag ‘How many miles?’ die me te pas en te onpas wordt gesteld en uit autoraampjes wordt toegeschreeuwd komt me mijn neus uit. ‘WAT MAAKT HET UIT?!’ wil soms terugschreeuwen.
‘How many miles a day?’ Alsof mijn antwoord er iets toe doet. Alsof al die aan hun bestuurdersstoel vastgegroeide Amerikanen ook maar enig idee hebben van wat 40 of 70 miles op een zwaarbepakte reisfiets betekenen.
Platte, snelle (des)interesse. Ze willen ‘even iets’ zonder daarvoor te hoeven remmen of nadenken en kwantitatieve en competitieve vragen liggen op het puntje van de tong.
‘Hoe meer hoe beter’ is op alles van toepassing.
Amerika is heftig!

Maar NATUURLIJK heeft ook deze medaille een glanzende zijde.
Ik heb hier fantastische mensen ontmoet. Mensen met oprechte interesse wiens grote gastvrijheid en hulpvaardigheid me zeer aangenaam hebben verrast!

Na hele fijne dagen bij een gastvrije woongroep in Fairbanks fietste ik door naar Tok, een plaatsje op de kruising vanaf waar je via twee wegen naar Canada op kunt fietsen. Ik zou daar te gast zijn bij een 70 jarige man, genaamd Chip.
Zelf zou hij de volgende ochtend naar zijn wilderniskamp vliegen en hij vroeg me of ik interesse had om een paar dagen ‘vrijaf’ te nemen en mee te gaan.
Een kamp midden in de wildernis, enkel bereikbaar per vliegtuigje, met een eigen cabine, een keuken, sauna en zelfs (satelliet) wifi. Dat aanbod kon ik onmogelijk afslaan.

De keuken en het terras van het kamp

De keuken en het terras van het kamp

Het kamp vanuit de lucht

Het kamp vanuit de lucht

Het kamp lag maar een kilometer verwijderd van de Canadese grens. Chip, die zelf niet meer ‘mijnt’ voorziet een nabijgelegen mijnkamp van advies, materiaal en reparaties. Zelf geniet hij voornamelijk van het in de wildernis zijn. Hij heeft me op de quad meegenomen naar het mijnkamp, een bergtop in Canada (stiekem dus al de grens over) en we hebben blauwe bessen geplukt, Ptarmigans (sneeuwhoen) geschoten, geplukt, gekookt en gegeten, hout gehakt en ik heb veel gelezen en geschreven. 5 dagen en nachten volledig weg uit de bewoonde wereld, zelfs het besef van ‘dagelijkse leven’ verdween. Het enige dat me eraan herinnerde dat er daarbuiten grote supermarkten, fabrieken en miljarden werkende mensen zijn was het eten dat in plastic supermarktverpakking in de keuken stond. Hoe ongerept en puur dit ook voelde kon ik mezelf niet voor de gek houden. Bijna alles ook daar komt voort uit de ‘beschaving’. Om de welvaart en de moderne samenleving helemaal uit te bannen zou je nog vele grote stappen verder moeten gaan.

Chip bakt pancakes met versgeplukte blueberries

Chip bakt pancakes met versgeplukte blueberries

De modderige bende die 'goudmijn' heet

De modderige bende die ‘goudmijn’ heet

Met de quad de grens over naar Canada en terug

Met de quad de grens over naar Canada en terug

Een Ptarmigan aan de binnenkant

Een Ptarmigan aan de binnenkant

Houthakken bleek best zwaar werk

Houthakken bleek best zwaar werk

Ik genoot van de dagen in eenvoud en rust, maar na enkele dagen begon het te kriebelen om weer op de fiets te stappen. Ik had nog één ‘omweg’ op de planning, namelijk de Tok cut-off. Een weg precies in tegengestelde richting dan ik zou moeten gaan om in Canada te belanden. Deze weg zou prachtig zijn was me verteld en daarbij zou ik aan het andere uiteinde ervan nog twee eerder ontmoette Warmshowers hosts kunnen terugzien.

Zo ver weg van familie en vrienden, zowel fysiek als mentaal, worden de mensen die ik onderweg ontmoet soms van grote waarde. Zij leren me kennen zoals ik nu en hier ben, een Hera die ik zo goed als ik kan zich in mijn blogs laat manifesteren, maar die alleen zij face to face ontmoeten. Simpelweg omdat hier andere onderdelen van mijn persoonlijkheid worden aangesproken.
Om je niet eenzaam te voelen is het niet zozeer van belang om andere mensen te zien als wel om door anderen gezien te worden. En daarom was het ontzettend fijn om in Glennallen mijn host van Knik river terug te zien, met wie ik eindeloos kon praten over zaken die ertoe doen (voor mij).. Alsof ik me weer even kon laven aan een bron en als een kameel mijn bulten kon vullen om de tijd tot de volgende oase te kunnen overbruggen.

Groen en geel langs de Tok cut-off

Groen en geel langs de Tok cut-off

Met uitzicht op bergen en gletsjers

Met uitzicht op bergen en gletsjers

De rit over de Tok cut-off was inderdaad prachtig. Dankzij de wind mee en doordat ik een groot deel van mijn bagage in Tok had achtergelaten vloog ik over de weg en fietst ik de 230km in twee in plaats van drie dagen. De eerste nacht kampeerde ik aan de Copper river, waar ’s avonds en ’s ochtends de elanden langs mijn tent trappelden en de snelstromende rivier overstaken. De tweede nacht kampeerde ik verscholen achter de bibliotheek van Glennallen. Voor het sluiten van de bibliotheek waste ik mezelf grondig in de toiletruimte en later die avond lag ik schoon en met WiFi in mijn tentje. Iedere dag en nacht is anders onderweg. Ik zigzag op eigen koers door het ‘dagelijks leven’ heen om me er af en toe een klein stukje in mee te laten stromen.

Ontbijt en een stukje lezen voor de bibliotheek in Glennallen

Ontbijt en een stukje lezen voor de bibliotheek in Glennallen

Na bijna het hele wegennetwerk van Alaska met mijn banden te hebben gemerkt werd het nu toch echt ECHT tijd om koers te zetten richting Canada. Misschien nog wel meer vanwege de opkomende koude dan omdat ik ‘klaar’ was met Alaska. Het zuiden heb ik nog niet verkend. Om nog maar te zwijgen van de enorme hoeveelheid nieuwe fietsmogelijkheden en de reikwijdte die hier ontstaan als de rivieren bevriezen en het land onder een dikke laag sneeuw komt te liggen.
Hier zal ik nog eens voor moeten terugkomen, vermoed ik.

Na een lift terug naar Tok stapte ik weer op de fiets, de Taylor highway op, onderweg naar de Top of the World highway en de meest noordelijke grensovergang naar Canada. Ik was nog maar goed 30km op weg toen er een pickuptruck naast me stopte. Een man met twee tienerdochters bood me koekjes aan en een plaats om te overnachten, als ik die dag tot ‘mile 58’ zou komen. No way! Dat zou een dag van in totaal 120km worden en ik was pas om 12:00 vertrokken. ‘Ach, dan zetten we die fiets toch achterin en overbruggen we een stukje per auto?’ Zo gezegd zo gedaan. Een km of 30 verderop werd ik weer afgezet om aan het einde van de middag ‘mile 58’ te bereiken. Een bochtig gravelweggetje leidde me naar de ‘vakantiecabine’ van Jim en zijn dochters Maddy en Faith.
Ik werd verwend met een goede maaltijd en ijs na, de meiden leerden mij pokeren en Jim was zeer geïnteresseerd en stelde vol bewondering vragen over mijn fietsreis. In zijn enthousiasme gaf hij me de meest opmerkelijke titel die een vader mij ooit ten overstaan van zijn (tiener)dochters heeft gegeven. Hij noemde me voor hen een ‘rolmodel’.

Het paadje richting de cabine van Jim

Het paadje richting de cabine van Jim

Jim, Maddy, Faith en ik bij de cabine.

Jim, Maddy, Faith en ik bij de cabine.

Dankbaar voor deze mooie ontmoeting en overweldigende gastvrijheid vertrok ik de volgende dag richting Chicken, een goudzoekersdorpje met 7 geregistreerde inwoners (hoe zou je als inwoner van Chicken heten?).
Vanaf Chicken was er ‘niets’ meer tot aan de grens, 75km verderop. De totale weg van Tok tot aan Dawson City was er een van klimmen en dalen, met een totaal van 4500 hoogtemeters over een lengte van 300km. Noem dat maar ‘niets’…

Onderweg naar de grens

Onderweg naar de grens

Toen ik om iets na zessen bij de grens aankwam, hoefde ik tot mijn grote verbazing niet eens mijn paspoort aan de Amerikanen te laten zien. Niemand die wilde weten of ik netjes binnen mijn visa tijd was gebleven of in het systeem wilde nagaan of ik in de tussentijd een ‘wanted woman’ geworden was. Zoveel heisa om het land binnen te mogen en je krijgt nog geen stempel als bedankje!
De Canadese douane ontving mij vriendelijk en was niet scherp genoeg om door mijn gelogen ‘nee, ik heb geen bearspray bij me’ heen te prikken. JA DAAHAAG! Die bus kostte me $45 en de meeste beren heb ik waarschijnlijk nog voor de boeg! Om over enge mannen nog maar te zwijgen! ‘I’m gonna hold on to my bearspray all the way down to Argentina!’ dacht ik bij mezelf.

Een paar kilometer na de grens zette ik mijn tentje op, bovenop de ‘Top of the World’. Wat een uitzicht! Niets dan geel, oranje, rood en hier en daar wat groen en bruin om me heen zo ver ik kon kijken. De grensovergang sluit van 21:00 tot 8:00 en met zowel in Alaska als in Canada de eerste bewoning op bijna 100km van me vandaan was het een doodstille en prachtige avond alleen in de wildernis. Het besef ging nog eens door me heen dat ik Alaska nu achter me ging laten. Ondanks mijn worstelingen met het Amerika-gehalte heeft deze staat dus toch een diepe indruk op me gemaakt. Een soort haat-liefde relatie. Soms wilde ik er weg, nu had ik al heimwee. Het is een dunne lijn… Voor het eerst luisterde ik wat muziek vanaf mijn laptop, midden in de wildernis (een vreemde maar fijne combinatie) en keek hoe de zonsondergang de wolken rozerood kleurde.

Kamperen op de 'Top of the World'

Kamperen op de ‘Top of the World’

OLYMPUS DIGITAL CAMERA OLYMPUS DIGITAL CAMERA OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De volgende ochtend richtte ik mijn pijlen op Dawson City, 100km verderop. Bergop en bergaf maar haalbaar. Een dag eerder dan gepland vloog ik over de 18km lange afdaling Dawson City binnen. HET goudzoekerstadje van het noorden. Een toeristische trekpleister en tóch authentiek. Het ziet eruit als een filmset en tegelijkertijd voel je dat hier echte mensen wonen en er achter de sfeervolle gevels echte huishoudens schuilgaan.
Mijn Warmshowershost kon ik niet bereiken en terwijl ik wat doelloos in de Tourist Information aan de gratis koffie zat nodigde een ouder echtpaar mij uit om wat met hen te gaan eten bij ‘Klondike Kate’. De Tourist Information medewerker gaf me nog een gevonden douchemuntje van een belachelijke dure camping mee (had ik het nodig misschien?). En na een gezellige maaltijd en even zo heerlijke douche voelde ik me als herboren. Nu nog een plek voor de nacht…

Dawson City aan de Yukon river

Dawson City aan de Yukon river

De ‘campings’ in Dawson City bleken een soort RV-dumps. Sfeerloze kale gravelvelden vol campers. Ik besloot een stukje verder te fietsen en vond net buiten het stadje een aardig plekje voor mijn tent aan de Bonanza creek.

Inmiddels ben ik bij mijn host beland. Een man met een mijnkamp die ook tours en onderdak verzorgd. In een van zijn cabines mag ik me twee nachten huisvesten.

CANADA dus!
Een nieuw avontuur. Een nieuw land dat uitgestrekt voor mijn wielen ligt. De verleiding om de Dempster highway naar het noorden op te fietsen heb ik besloten te weerstaan. Geen ‘omwegen’ meer. Ik ga nu zuidwaards! De nachtvorst is er al, de bomen verkleuren in rap tempo en zullen al gauw hun blad verliezen, de eerste sneeuw laat niet lang meer op zich laten wachten. Zuidwaards dus!
Voor de winter uit en in een poging de herfst bij te benen.
Op naar Whitehorse, op naar Jasper en de Icefield Parkway.
Op naar nieuwe avonturen!