The Last Frontier

The Last Frontier

A-LAS-KA!
ALASKAAAAAAAAAAA!!!

Eindelijk ben ik er. Eindelijk op die plek die al zo lang bovenaan mijn verlanglijstje stond.
Na twee dagen als een malle tegen de wind in ploeteren, heb ik vandaag maar 35km gefietst om te stoppen bij de enige plek met wifi in de wijde omtrek. Ik dacht dat ik op IJsland mijn portie wind wel gehad had. Volgens de lokale bevolking is het hier ook ongebruikelijk. Gelukkig maar!

Even terug naar de vlucht. Twee weken geleden stapte ik in Keflavik op het vliegtuig. Dat gaat niet zomaar. Eerst werd ik volledig doorgelicht bij de check-in, daarna moest ik mijn fietsdoos openmaken en werd die volledig gecontroleerd en ging ik al in IJsland door mijn eerst check van de Amerikaanse ‘customs’.
De vlucht was adembenemend mooi. Vertrek 17:10, aankomst 16:20 zelfde dag. We vlogen met helder weer over het sneeuwwitte Groenland en daarna over de eilanden boven Canada bestaande uit niets anders dan bergen, gletsjers en ijs.

Gletsjers vanuit het vliegtuig ten noorden van Canada

Gletsjers vanuit het vliegtuig ten noorden van Canada

Toen we Alaska ‘binnenvlogen’ vanuit het noorden moest ik twee keer met mijn ogen knipperen om mijn ogen te geloven. Niets dan uitgestrekt woud, rivieren en bergen. Geen weg, geen huis, niets dat duidde op menselijke bemoeienis. Eerst vond ik het prachtig, maar toen het maar bleef en bleef duren sloegen de zenuwen toe. ‘Wat doe ik hier? Ga ik hier echt fietsen? Dit is veel te groot voor mij! Ik hoor daar helemaal niet.’ Met een ietwat verontrust gevoel stapte ik uiteindelijk uit het vliegtuig, blij om iets te zien dat ik kende, mensen, tassen, loketten, structuur.
Na mijn zogenaamde route toegelicht te hebben en verklaard te hebben uit welke landen er evt. vuil in het profiel van mijn banden zou kunnen zitten, mocht ik het land binnen. ‘Welcome to Alaska’.

De eerste dagen was ik in Anchorage te gast bij Stan en Sally. Een 50+ en 60+ stel dat aan de rand van de stad woont en hun tijd voornamelijk doorbrengt met avonturen. Zo stonden ze op de dag dat ik vertrok op het punt om een meerdaagse trip te maken om de vis voor het komende jaar te gaan vangen.
Stan heeft me voorbereid op een eventuele confrontatie met een beer (bruine beer: oprollen en nek beschermen, zwarte beer: terugvechten), maar vooral op het voorkomen daarvan (niet laten schrikken, etenswaren ver van de tent bewaren). In het linkerzakje aan mijn stuur zit een spuitbus ‘bearspray’, aan mijn rechter voortas hangt een belletje. ‘AAN DE KANT BEREN. IK KOM ER AAN!’

Tijdens mijn eerste wandelingetje naar de supermarkt voelde ik me een beetje alsof ik in een film liep. Het Amerika dat ik ken uit films. Alles is groot, de auto’s zijn enorm, de supermarkt is nog enormer, veel mensen zijn groot (dik). Niemand loopt, iedereen rijdt auto. Tijd om de stad te verlaten…

Maar, omdat het bijna de ‘4th of july’ was, e dag waarop gevierd word dat zo en zo veel jaar geleden Amerika de onafhankelijkheid uitriep, besloot ik nog even in de stad te blijven om dat mee te maken. Ik had verwacht dat het een groot festijn zou zijn met veel muziek, drank en een parade, maar dat alles viel enorm mee. Er was inderdaad een parade met wat oude auto’s, de brandweer, een fanfare en een groep van het leger. Daarnaast waren er vooral voor de kinderen allerhande spellen, werd er vette troep verkocht en op een minipodium nog het een en ander aan muziek ten gehore gebracht. Al met al een gezapige bedoening. Het is bij dergelijke festiviteiten in Amerika niet ongebruikelijk dat de alcohol maar op één plek verkocht wordt en het toegestane gebruik ook tot die plek beperkt wordt.

4th of July

4th of July

Ik nam het aanbod aan van een lift Anchorage uit om een druk en smal gedeelte van de Glen highway te overbruggen en werd afgezet bij een gastheer van WarmShowers, Dan. Ik wist dat hij directeur was van een ‘kamp’. Dit bleek het ‘Victory Bible Camp’! Een enorm kamp met een manege, kano’s, waterspeeltuig en gymzaal. De kids verblijven gedurende een week in mooie hutten onder leiding van jongeren en doen overdag leuke activiteiten. Naast buiten spelen wordt er ook Bijbelstudie gedaan, samen gebeden en geloften afgelegd. Er zijn ook cabines die door (groepen) volwassenen gehuurd kunnen worden, zij leveren een bijdrage aan het onderhoud van het kamp en ondernemen activiteiten.

WAT een beleving. Ik kreeg een eigen cabine en mocht in de grote zaal mee-eten tussen de kampgangers. Ik had het geluk dat er die week ook een groep uit Pennsylvania te gast was; Mennonites. Een religieuze groep die net als de Amish afstamt van het Anabaptism en ik raakte in gesprek met een jongeman die vanwege het feit dat hij auto was gaan rijden ‘de kerk had moeten verlaten’. Gelukkig hebben zijn ouders hem niet uit huis gezet (zoals vaak wel gedaan wordt). Ik probeerde met hem een gesprek te voeren over zijn plannen en dromen en het verschillen van onze levens, dat bleek nog best lastig. Ik mocht hem gerust alles vragen, maar zijn reacties waren lang niet altijd een antwoord op mijn vraag. Hij vertelde hoe hij als jongste van negen kinderen het recht had om de boerderij te erven. In zuivel was niet veel meer te verdienen en daarom hadden ze nu een kippenboerderij. Veel verder dan vertellen over het runnen van die boerderij, de aftakeling van de oude schuur en het ‘vangen van kippen’ kwam hij niet. Dat is zijn toekomstbeeld, dat is zijn ‘droom’. Op mijn vraag of hij niet iets anders zou willen, bijv; naar de stad trekken, studeren of reizen kwam een herhaling van zijn verhaal over de gang van zaken thuis. Tot je vijftiende ga je naar school en dan ga je aan het werk. Ook op mijn vraag naar zijn mening over het ‘losbandige’ leven van zijn leeftijdsgenoten kon hij geen echt antwoord geven.

De vrouw van de kampdirecteur, Kimberly, zat bij het gesprek en zei me daarna dat deze vragen hem waarschijnlijk voor het eerst in zijn leven aan gesteld waren. Bij de volgende maaltijd zag ik hem vanaf zijn tafeltje naar mij kijken. Ik zou graag willen weten of hij daarna nog over ons gesprek heeft gedacht. Misschien is het ijdele hoop, maar ergens hoop ik dat ik iets in hem wakker heb gemaakt.

Matanuska gletsjer

Matanuska gletsjer

Het kamp ligt in de buurt van de Matanuska gletsjer. Waar ik samen met Kimberly een mooie klim- en klouterwandeling over maakte. En zoals wel vaker viel ik met mijn neus in de boter en werd ik uitgenodigd om de volgende avond (ook hier blijft het licht) mee te gaan op een vlucht over de gletsjer en omgeving in een 4persoons vliegtuigje. Wat ik het dan heerlijk om alle tijd en vrijheid te hebben om gewoon te kunnen zeggen ‘Graag! Dan blijf ik gewoon een dagje langer.’ Wat een machtig landschap om overheen te vliegen. Bonus was het zicht op twee zwarte beren op de bergflank.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Kimberly en ik op de gletsjer

Kimberly en ik op de gletsjer

Een groep die het ietwat serieuzer neemt en zich klaarmaakt voor een klim

Een groep die het ietwat serieuzer neemt en zich klaarmaakt voor een klim

Inmiddels voelde ik dat ik behoorlijk was geland en dat het voor mij tijd werd om op de fiets te stappen. Zelfs de belevenissen van die hike en privévlucht over de gletsjer kunnen voor mij niet op tegen het gevoel dat ik heb als ik fiets.

De gletsjer vanuit het vliegtuigje

De gletsjer vanuit het vliegtuigje

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het woud vanuit het vliegtuigje

Het woud vanuit het vliegtuigje

De volgende dag genoot ik er intens van weer op de fiets te zitten. Ik kampeerde samen met een stel met caravan op een mooie open plek aan een rivier.

Met Linda en Jim kamperen met Airstreamer en tent

Met Linda en Jim kamperen met Airstreamer en tent

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De dag daarop zat ik midden in een wielerwedstrijd, de ‘Fireweed 400’, met races van 400, 200, 100 en 50 mijl. Ze vertrokken in kleine groepjes en passeerden mij één voor één. Leuk om gezelschap op de weg te hebben van andere fietsers. Ik snackte mee bij hun voedselstands en werd enthousiast ontvangen door de vrijwilligers. Die dag hoorde ik zoveel goeds over de Denali highway, dat ik besloot mijn plan voor de komende 2 weken om te gooien en niet al naar Fairbanks te fietsen maar de Denali highway te nemen terug naar het westen. Deze ‘highway’ is een toeristische route die weinigen uit praktische overwegingen nemen. Hij is, anders dan de andere highways, onverhard en maar van mei tot oktober open.

Eerste uitzichten vanaf de fiets

Eerste uitzichten vanaf de fiets

Eindeloos woud links en rechts van me

Eindeloos woud links en rechts van me

..hier en daar een kreek.

..hier en daar een kreek.

Het 'dorp' Paxson bij de afslag naar de Glen Highway. Gelukkig was ik gewaarschuwd dat ik hier geen inkopen kon doen.

Het ‘dorp’ Paxson bij de afslag naar de Glen Highway. Gelukkig was ik gewaarschuwd dat ik hier geen inkopen kon doen.

En daar ben ik nu. Gisteren stak er nog geen 30 meter voor mij een eland de weg over. Zojuist ben ik de op één na hoogste pass van Alaska over gefietst, de MacLaren summit van 4048 feet (zo’n 1255 meter). Je had misschien hoger verwacht in Alaska. Na een heerlijke afdaling (ik zie de klim voor morgen alweer liggen) zit ik nu voor mijn tentje aan de rivier met uitzicht op een gletsjer.

De afdaling vanaf MacLaren summit

De afdaling vanaf MacLaren summit

Alaska is precies wat ik ervan verwachtte en hoopte!
De uitgestrektheid, de ruigheid, de onverbiddelijkheid van de natuur, de mensen die hun plek proberen te vinden daarin (in plaats van een plek zoeken om wat ‘natuur’ aan te planten). De mensen variëren van ‘erg op zichzelf’ of zelfs nors tot heel vriendelijk. Ze lijken niet gauw ergens warm of koud van te worden maar zijn wel direct behulpzaam als je ze ergens om vraagt. De ‘roadhouses’ vind ik te gek! Een soort cafe-restaurants waar grote mokken slappe koffie, burgers en zelfgebakken taart te krijgen zijn. Altijd (ahum, heb pas drie roadhouses gezien) zit er wel een man met een wilde baard en een pet op, zijn pickuptruck voor de deur, die zo uit de film ‘Into the Wild’ lijkt weggelopen.

'Meyers lake roadhouse' waar ik gratis in een oude cabine mocht slapen. Omdat fietsers 'anders' zijn.

‘Meyers lake roadhouse’ waar ik gratis in een oude cabine mocht slapen. Omdat fietsers ‘anders’ zijn.

Vanavond eet ik in de MacLaren lodge (ook een soort roadhouse) aan de andere zijde van de brug, zodat ik de wifi mag gebruiken en ik deze blogpost online kan zetten. De komende 2,5 a 3 dagen ben ik nog wel zoet met deze Denali highway. Als ol op slecht gravel zit wil ik er altijd vanaf, maar terug op het asfalt tussen het andere verkeer, verlang ik altijd weer terug naar die rustige gravelweg. Ik geniet er dus van nu ik er ben!

Mijn 'kantoor' en slaapplek voor vannacht.

Mijn ‘kantoor’ en slaapplek voor vannacht.

Alaska, the last frontier. Voor mij het begin van een geweldige tocht!